K.U.Leuven
  Zoeken naar Zoeken naar personeel Zoeken naar studenten Zoeken in het organigram Zoekmatrix Zoeken op trefwoorden

Zoutleeuw: archeologisch onderzoek in de stadskern

Medewerkers

Marc Lodewijckx, projectverantwoordelijke
Lieve Opsteyn, wetenschappelijk medewerkster
Fernand Kumps, voluntariaatsmedewerker
Louis Wouters, voluntariaatsmedewerker

Inleiding

Fig. 1: Luchtfoto van Zoutleeuw tijdens de werkenZoutleeuw is een kleine stad in centraal België op ongeveer 60 km ten oosten van Brussel (fign. 1 en 2). De oude naam van de stad is Leeuw (Lion) en in het verleden was Leeuw - Zoutleeuw één van de zeven steden van het Hertogdom Brabant. Ze dankte ze haar welvaart aan haar haven en aan de ligging op de weg van Brugge naar het oosten over de andere Brabantse steden, Brussel, Leuven, Tienen en Leeuw. In de historische bronnen leest men dat Leeuw reeds vóór 1133 versterkt was met muren, poorten en een gracht. In de 14de eeuw was het bevolkingsaantal zo gestegen dat een uitbreiding van het stedelijke grondgebied nodig was. Tussen 1330 en 1350 werd een tweede ommuring gebouwd, die een gedeelte van de eerste westelijke ringmuur overnam, en werd een brede stadsgracht voor de muur gegraven. De oudst bewaarde stadsplattegrond (fig. 3) is een kaart uit de Stedenatlas van Jacob van Deventer uit 1560 (Madrid, Koninklijke Bibliotheek) en geeft reeds een gedetailleerd beeld van de structuur van de stad.

Fig. 2: Hydro-topografische kaart van Zoutleeuw en omgeving Fig. 3: Kaart van Zoutleeuw uit de Stedenatlas van Jacob van Deventer, 1560 (Madrid, Koninklijke Bibliotheek)

Tot de start van ons onderzoek waren er weinig tastbare bewijzen voor het dagelijkse leven te Zoutleeuw in het verleden. Het ontbreken van archeologisch onderzoek in de eigenlijke stadskern van Zoutleeuw was daaraan niet vreemd. Wel hadden er wat kleinschalige graafwerken plaatsgehad op de voormalige citadel (1980), in het begijnhof (1990), in het voormalig klooster van de Kapelbroeders (1991) en op de Castelberghmotte (1992-1993). Deze sites leverden echter weinig archeologisch materiaal op dat een licht kon werpen op de gebruiksgoederen van de Leeuwenaar in het verleden.

Er was reeds enkele jaren sprake om de kanalisatie van de Kleine Gete doorheen het centrum van Zoutleeuw te vernieuwen maar de werken gingen pas van start in het najaar van 1994. De middelen voor de beperkte archeologische interventie werden bijeen gebracht door de Provincie Vlaams-Brabant, Stad Zoutleeuw en de Afdeling Archeologie van de K.U. Leuven. We mochten heel wat steun ondervinden van het studiebureau MBM uit Linter en de aannemer, de firma P. Roegiers uit Kruibeke.

De rivierdoorgang door de stad en de haven

Fig. 4: Foto van de vondstomstandigheden in de Kleine Gete met de stenen kademuur op de voorgrondHet meest interessante deel van de grondwerken was de verwijdering van de oeverbeschoeing en de uitgraving van de bodem van de Kleine Gete. Onder de bovenste afvallagen vonden we nog goed bewaarde lagen met zeer veel archeologisch materiaal. Dit bleek echter sterk gefragmenteerd te zijn maar werd in de mate van het mogelijke ingezameld. Langs de zijkanten van de bouwput troffen we nog restanten aan van de oorspronkelijke oeverbeschoeiing en van het staketsel van de aanlegkaden. Het bestond uit een rij aangepunte palen die nog tot een lengte van maximum 130 cm bewaard waren. De palen stonden op een onderlinge afstand van ongeveer 70 tot 100 cm van elkaar. Achter tegen de palen troffen we nog resten aan van dwarsbalken en zware takken die de lagen leem en zandleem van de oorspronkelijke oevers hadden tegen gehouden en hier en daar waren doorgebroken. Op diverse plaatsen kon worden vastgesteld at er herhaaldelijk herstellingen aan dit staketsel werden uitgevoerd.

Beide rijen palen langs de oevers van de Kleine Gete stonden op ongeveer 7 m van elkaar. De vroegere bedding en ook de havengeul van Zoutleeuw waren dus iets breder dan de huidige waterweg. Op basis van de vondsten onderaan tussen de palen, waaronder een gouden munt van Willem V van Beieren (1350-1389), kunnen we de constructie van dit staketsel waarschijnlijk in de 14de eeuw plaatsen. In de 16de eeuw werd tenminste een gedeelte van de houten overbeschoeing vervangen door een kademuur met een fundament in natuursteen en een bovenbouw in baksteen (fig. 4).

De opgraving op de bodem van de rivier

Het meeste materiaal kon worden gerecupereerd op de bodem van de bouwput, waar vooral langs de beide oevers nog materiaal in goede staat kon worden aangetroffen. Met de steun van alle terreinverantwoordelijken werd een kleine, goed geïsoleerde werkput aangebracht die ons toeliet een systematische opgraving uit te voeren op de bodem van de rivier en tevens een aantal zeefstalen uit dateerbare lagen te nemen. De hoeveelheid archeologisch materiaal die uit deze noodopgraving kon worden gerecupererd was enorm en bedroeg ongeveer 1/3 van het volume grond dat werd verzet. Het materiaal dateert nagenoeg uitsluitend uit de 14de en het begin van de 15de eeuw.

De grondstalen voor macrobotanisch onderzoek werden nat gezeefd met een maasgrootte van 5 mm en daarna werden de determineerbare resten zorgvuldig onderzocht door Linda Huysman. De verscheidenheid aan botanische resten was vanzelfsprekend zeer groot. Vermelden we vooral de aanwezigheid van zoete kers (prunus avium), druif (vitis vinifera), pruim (prunus domestica), okkernoot (juglans regia), hazelnoot (corylus avellana) en diverse soorten boterbloem (ranunculus sardous/arvensis/repens). Opvallend was dat de resten van de meeste fruitsoorten opvallend kleiner waren dan de huidige versies.

De dierenbeenderen werden grotendeels met de hand ingezameld en werden onderzocht door Wim Van Neer, toen verbonden aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Het botmateriaal is meestal afkomstig van grote huisdieren zoals rund, schaap en varken. Dankzij bijkomend inzamelen met een zeef van 1 mm maaswijdte is er ook informatie over de kleine diersoorten waarin vooral de resten van de kip, vertegenwoordigd zowel door botmateriaal als door eierschalen, een dominante positie innemen. In de categorie zoetwatervissen werden resten van paling, baars en karperachtigen geklasseerd. De resten van zeevis, zoals schelvis, pladijs en haring, evenals schelpen van oester, kokkel en mossel, illustreren de import van producten van de kuststreek, die in de late Middeleeuwen reeds goed georganiseerd was. Het geheel van vondsten toont aan dat men het vanzelfsprekend vond niet alleen keuken- en tafelafval in de rivier te gooien maar ook slachtafval en kadavers van honden in de Kleine Gete deponeerde.

Het aardewerk en de lokale productie

Het aardewerk dat tijdens de vernieuwingswerken aan de kanalisatie van de Kleine Gete werd aangetroffen is zeer divers maar door de stroming ook erg gefragmenteerd. De oudste ceramiek bestaat uit scherven in grijs aardewerk en geïmporteerd kwaliteitsaardewerk van het type Andenneceramiek en Elmptaardewerk. Het grijs aardewerk is wielgedraaid en van prima kwaliteit en werd waarschijnlijk lokaal vervaardigd. De meest karakteristieke vorm is de kogelpot maar ook andere vormen komen voor, waaronder een zeldzaam bekertje op voet. Opvallend is de aanwezigheid in Zoutleeuw van aardewerk uit het gebied van Elmpt en Brüggen (Duitsland). Het Elmptaardewerk is wielgedraaid, bezit een witte tot grijze pasta en een typische blauwgrijze buitenwand en werd geproduceerd van het einde van de 11de eeuw tot het begin van de 14de eeuw. In Zoutleeuw werden vooral fragmenten van grotere potten aangetroffen. Waarschijnlijk kwamen ze als containers voor handelsgoederen in Zoutleeuw terecht.

Andenneceramiek werd geproduceerd in verschillende ateliers langs de Maas, voornamelijk tussen 1075 en 1375, met een hoogtepunt in de 12de eeuw. Het wordt gekenmerkt door de superieure kwaliteit van de klei, de blanche derle, die zeer fijn van textuur is en een lichte kleur heeft. Kenmerkend voor Andenne-aardewerk is de kleurloze loodhoudende glazuur die in een band op de schouder en hals werd aangebracht. In Zoutleeuw zijn de meest voorkomende vormen de bolronde potten met lensvormige bodem en manchetvormige, ondersneden rand.

Fig. 5: Voorbeelden van lokaal vervaardigd aardewerk, met rechts een oorpot uit LangerweheVanaf de 14de eeuw nam het rood, oxiderend gebakken aardewerk de functie van het grijze, reducerend gebakken aardewerk over. Enorme hoeveelheden rood aardewerk, in allerlei vormen en functies, werden uit de bedding van de Kleine Gete gehaald. De meeste fragmenten en scherven dateren uit de periode van de 14de tot de 17de eeuw. De meest voorkomende vorm is de grape, de kookpot op drie pootjes. Diverse andere vormen van potten en kommen komen voor, meestal met lensvormige bodem en standvinnen en al of niet voorzien van oren en een gietsneb. Ook steelpannen, vergieten, vetvangers, komforen, hengselpotten, bekers, schalen, kamerpotten, arbarello’s en alle andere vormen van rood aardewerk werden aangetroffen. Vele borden in rood aardewerk, maar ook potten en deksels, hebben een opvallende decoratie in witbakkend slib. Kannen en kruiken in rood aardewerk zijn relatief zeldzaam na de 15de eeuw. Daartegenover staat de enorme hoeveelheid schenkgerei in Rijnlands steengoed uit latere perioden die getuigt van de welstand van de gemiddelde Leeuwenaar.

Fig. 6: Dergelijke grote kruiken werden lokaal vervaardigdReeds vanaf de 14de eeuw was een lokale pottenbakker actief langs de haven in het centrum van de stad. In de rivierbedding vonden we immers heel wat misbaksels terug van een aardewerkproductie in een grauwbruine kleur, met een spaarzaam gebruik van glazuur (fig. 5). De meest frequente vorm is een bolronde kruik met een hoge schouder en een rechte, bijna cilindervormige hals (fig. 6). De rand is sterk geprononceerd met een ribbel en voorzien van een verticaal oor van rand tot schouder. De buik is meestal glad, zonder enige versiering, alhoewel enkele kleinere kruiken een geribbelde wand hebben. De potten zijn hard gebakken en het breukvlak van de scherf is grijs tot rood. De buitenwand is overtrokken met een dunne, matte donkerbruine tot paarsbruine sliblaag die niet egaal is aangebracht waardoor de pot een gevlekt uiterlijk heeft. Op de schouder is meestal een donkerpaarsbruine glazuurvlek aangebracht, die zowat het herkenningsmerk van deze ceramiekproductie is.

Een beperkte hoeveelheid van de ceramiek bestaat uit wit of gelig aardewerk, waarschijnlijk geïmporteerd uit het Maasgebied. De vormenrijkdom is eerder beperkt tot kleine (kook)potten, kommen, vergieten en borden. Meestal zijn de recipiënten bedekt met een laag groen loodglazuur.

Fig. 7: Een kruikje uit Raeren met een plastisch gelaat op de buikVan de karakteristieke lichtgrijs gekleurde steengoedproductie van Siegburg zijn er in Zoutleeuw vooral veel lage drinkschaaltjes gevonden maar ook de trechtervormige, conische en eierdopvormige bekers, de kruiken met een bolle buik en hoge, rechte hals en de smalle hoge kannetjes met één oor (Jacobakannetjes) zijn goed vertegenwoordigd. Velen dragen een versiering van uitgesneden appliquen. Van de latere producten zijn vooral de Snellen populair geweest. Van de producten van Langerwehe hebben vooral de grote kruiken en de dubbelorige bekers met uitgeknepen standring hun weg naar Zoutleeuw gevonden. De meest verzorgde producten in steengoed zijn afkomstig van de productiecentra te Raeren, Aken, Keulen en Frechen en uit het Westerwald. De meeste potten zijn onversierd of voorzien van ingesneden en opgelegde gezichten op de schouder en hals, de zogenaamde baardmankruiken (fig. 7). In de tweede helft van de 16de eeuw veranderde de Raerense productie fundamenteel door een nieuwe generatie pottenbakkers. De potten werden nu gesigneerd en voorzien van cannelures, rolstempels, allerhande ribbel-groefversieringen, kerfsnedes, friezen en medaillons. Vanaf het einde van de 16de eeuw werd er ook kobaltblauw zoutglazuur gebruikt. Naast de kannen en kruiken werden er ook heel wat humpen en andere drinkbekers en soortgelijk tafelgerei gevonden. De producten van het Westerwald kenmerken zich door de versiering die over het hele oppervlak is aangebracht. Typisch hierbij zijn de palmetten of rozetten die ingestempeld of opgelegd worden op een kobaltblauwe achtergrond.

Majolica en faience zijn vooral vertegenwoordigd door platte borden met een duidelijke standring. De versiering bestaat uit lijnen, florale en geometrische motieven in blauw, grijs, geel en rood.

Het glas uit de bedding was erg gefragmenteerd. Naast duidelijke fragmenten van vensterglas en grover gebruiksglas werden er ook vele kleine fragmenten van sierglas gevonden. Het oudste fragment is de fragiele bodem van een Berkemeierbekertje uit de tweede helft van de 16de eeuw.

Het organisch materiaal

In de bedding van de Kleine Gete werden honderden laatmiddeleeuwse schoenzolen opgeraapt. Langs de rand zijn de stiknaden in de vorm van kleine gaatjes nog goed herkenbaar maar de draad is meestal verdwenen. De 13de- en 15de-eeuwse schoenzolen eindigen meestal in een karakteristieke punt. De zolen van de muilen uit de eerste helft van de 16de eeuw zijn daarentegen zeer breed en vrij plomp. Daarnaast werden ook heel wat zolen gevonden met een verhoogde houten hak. De bovenschoen bestond uit één of meerdere stukken leer, soms voorzien van een ingeperste of uitgesneden decoratie. Een klein kinderschoentje is volledig bewaard gebleven. Het sluit nauw aan de voet en hoog op de wreef met een zijwaartse sluiting. Het bovenschoen is uit twee stukken leder gemaakt die aan elkaar genaaid zijn.

Fig. 8: Een overschoen met een houten zool en lederen bovenstuk, vastgezet met een metalen band met nietenMeestal werd in de Middeleeuwen op straat een houttrip aangetrokken. Dat was een houten onderzool met een verdikking onder de bal en de hiel van de voet. Het bovenstuk of de wreefband was een soms zeer kunstig versierde lederen strook, die met nageltjes aan een metalen band werd bevestigd (fig. 8). De lederen (punt)schoen werd hierin gestoken en op deze manier beschermd tegen de onregelmatige kasseien, modder en vuil.

Naast schoenzolen werden ook twee versierde messcheden en veel ander decoratief lederwerk gevonden. De vele fijne snippers leder zijn het overtuigende bewijs dat een lederbewerker in Zoutleeuw zijn werkplaats had. Het zijn kleine reststukken die overbleven bij het uitsnijden van de schoenonderdelen uit een vel leder en afval dat overbleef na het naaien en bijsnijden van de schoen.

Alhoewel er zeer veel hout werd teruggevonden waren er slechts weinige voorwerpen waaraan een zekere archeologisch waarde kon worden toegekend. Een houten fluitje is 5 cm lang, heeft geen geprononceerd mondstuk en een rond gaatje aan de zijkant. Fluiten werden niet alleen uit hout gesneden maar ook uit been. Een benen fluitje dat in de Kleine Gete werd gevonden, is uit het been van een ganzenpoot gesneden. Het is een rechte holle koker die afgebroken is op een lengte van 7,5 cm. Bovenaan is een luchtgat in het been uitgesneden. Tot de 16de eeuw werden ook de wol- of kaarderskammen uit been gesneden. Het zijn langwerpige kammen met aan één of twee kanten lange tanden. Een exemplaar uit de Kleine Gete is licht gebogen en aan één kant zijn de ingesneden tanden nog goed herkenbaar. De andere kant is gedeeltelijk afgebroken en afgesleten.

De metalen voorwerpen

Tijdens de werken werden er ook 28 munten, 4 rekenpenningen en 2 lakenloodjes gevonden. Ze dateren van de 14de tot de 18de eeuw en werden gedetermineerd door prof. Simone Scheers. Ze zijn uitgevoerd in goud, zilver of een koperlegering en geven, ondanks hun gering aantal, inlichtingen over de muntomloop in Zoutleeuw gedurende deze vijf eeuwen. Bijna alle stukken zijn van geringe waarde. Zij werden gebruikt voor de dagelijkse uitgaven: in de 14de-15de eeuw zijn het biljoenen mijten en dubbele mijten en zilveren halve en hele groten, in de 16de tot 18de eeuw koperen duiten en oorden. De enige waardevolle munt is de gouden gulden van Willem V van Holland, die niet tot het dagelijkse geldverkeer behoort.

De hoeveelheid metalen voorwerpen uit de rivierbedding is zeer groot en verscheiden. De noodzakelijke conservatiebehandeling werd uitgevoerd door Louis Wouters. De metalen voorwerpen kunnen in een aantal grote categorieën opgedeeld worden. Naast de grovere ijzeren voorwerpen zoals nagels, haken, deur- en poortbeslag, sloten, ambachtelijke instrumenten en landbouwwerktuigen, vonden we vele verzorgde metalen voorwerpen in allerlei legeringen. De opsmukartikelen en het keuken- en tafelgerei zijn het meest talrijk aanwezig. Daarnaast zijn er ook voorwerpen die in verband staan met allerlei huishoudelijke en ambachtelijke activiteiten en verder ook wapens, elementen van muziekinstrumenten en een grote variatie aan andere metalen voorwerpen of fragmenten ervan waarvan de betekenis niet erg duidelijk is.

Op het vlak van de persoonlijke opsmukartikelen kunnen we broches, spelden, gespen, riembeslagen, riemtongen, kledinghaken, tasbeugels, enz. vermelden. De variëteit in de gebruikte metalen (brons, koper, ijzer, goud) en technieken kan duiden op een sociaal onderscheid of op een functioneel verschil tussen het dagdagelijkse gebruik en de meer feestelijke uitrustingen. Bij het koken en de tafelcultuur werden de gebruiksvoorwerpen in metaal geleidelijk aan geïntroduceerd. Naast een aantal ketels en metalen instrumenten voor de keuken, dienen we vooral het tafelgerei te vermelden waaronder een zeer groot aantal messen, soms met erg verzorgd inlegwerk. Voor het huishouden kon men beschikken over naalden, spelden, scharen, vingerhoeden, kandelaars en een kaarsensnuiter. Twee exemplaren van een mondtrom of mondharp wijzen op een zekere muzikale ontwikkeling van de Leeuwenaars terwijl wapens, zoals zwaarden en dolken, een ruiterspoor en talrijke kanonskogels weer wijzen op de permanente onzekerheid van het bestaan.

De eerste ommuring van Zoutleeuw

De economische welvaart van Zoutleeuw was te danken aan de haven en de activiteiten in direkte relatie tot dit havengebied. Daarom liet de graaf van Leuven reeds in het begin van de 12de eeuw een eerste omwalling rond de stad oprichten. De historische bronnen zijn nogal vaag over het verloop en de opbouw van de muur en geven geen exacte datering van die eerste verdedigingsstructuur rond Zoutleeuw. Ze dateert wel van vóór 1133 omdat in een kroniek van de abdij van Sint-Truiden sprake is van gesloten poorten tegen de oprukkende Truienaars. In het huidige stadsbeeld zijn enkele reminiscenties aangebracht die verwijzen naar die 12de-eeuwse ommuring. Aan de linkerzijmuur van het Stadhuis, dat gebouwd is op de fundamenten van de omwalling, is een stuk muur in natuursteen opgemetseld.

Fig. 9: De kleine westertoren van de waterpoort op de eerste stadommuringDe grondwerken aan de Kleine Gete waren niet goed gesitueerd om meer informatie over deze eerste ommuring prijs te geven. Totdat men bij de aanleg van een betonnen trap in het noordelijk gedeelte Getewerken op een natuurstenen muur stootte die bij verdere vrijlegging het fundament van een halfronde toren bleek te zijn (fig. 9). De doormeter bedroeg ongeveer 2,5 m. De paramentstenen waren piramidaal gekapt, met een afgeronde buitenzijde en met de punt naar het midden gemetseld. Het inwendige van het fundament van de toren bestond uit brokken natuursteen. Aansluitend op de toren kwam de aanzet van de stadsmuur in natuur- en ijzerzandsteen te voorschijn die verder onder de huidige bestrating doorloopt. De toren was geplaatst op de linkeroever van de Kleine Gete en vormde met een tweede toren op de andere oever een zogenaamde waterpoort aan de stroomafwaartse kant van de stad. Op de kaart van Jacob van Deventer is deze poort duidelijk te herkennen (fig. 3). De overblijfselen van de linkertoren zijn intussen volledig weggebroken, terwijl de fundering van de rechtertoren waarschijnlijk nog bewaard zit in de ondergrond.

De tweede ommuring van Zoutleeuw

De eerste ommuring bleek al vrij snel te klein te zijn voor de groeiende bevolking. Noodgedwongen vestigden de mensen zich buiten de muren. Vanaf 1330 werden grootse stadswerken ondernomen om het grondgebied van de stad te vergroten en om de verdediging van de nieuwe wijken mogelijk te maken. Terzelfdertijd werd de Markt verruimd om een aantal belangrijke gebouwen te kunnen plaatsen. Twintig jaar werd gewerkt aan een nieuwe stadsmuur met vijf nieuwe poorten. Waarschijnlijk werden bij de bouw van de nieuwe muur de bruikbare stenen van de bovenbouw van de eerste omwalling herbruikt zodat er geen materiaal verloren ging.

Fig. 10: De moeilijke vondstomstandigheden bij de collectorwerken ten westen van het stadscentrumDe collectorwerken aan de west- en zuidzijde van de stad waren een ideale gelegenheid om nieuwe gegevens over het verloop van de tweede omwallingsmuur te achterhalen. Voor deze werken werden 3 m diepe sleuven gegraven waarin een bak werd voortgetrokken om bij de plaatsing van de rioleringsbuizen het instorten van de sleufwanden te voorkomen (fig. 10). De bodemopbouw was over het ganse traject hetzelfde: een dikke, bruine opvullingslaag, daaronder een dik pak grijze, zware kleiige grond vermengd met schelpen en ander organisch materiaal en daaronder zwart veen. De sleuven werden onmiddellijk gedicht na het plaatsen van de rioleringsbuizen. De werken werden in een snel tempo uitgevoerd en afgewerkt zodat er geen tijd overbleef voor enig archeologisch onderzoek. Toch hebben we een aantal interessante vaststellingen kunnen doen.

In het noordwesten van de stad, ter hoogte van de waterpoort van de eerste ommuring, werden twee parallelle muren (w-o richting) in natuur- en baksteen doorbroken. De twee muren stonden in het verlengde van de toegangspoort op de Kleine Gete en maakten waarschijnlijk deel uit van de tweede stadsomwalling die de eerste op die plaats verving. De parallelle muren waren mogelijk de fundering voor het binnen- en het buitenparement van de stadsmuur. Onder deze stevige muren kwam een eiken constructie te voorschijn die uit drie componenten bestond: op twee horizontale liggers was een aaneengesloten rij platte balken gelegd, die met een gat-pinconstructie aan elkaar verbonden waren (fig. 11). Onder deze balken waren, eveneens met een gat-pinconstructie, balken met een vierkante doorsnede verticaal ingeheid. Deze balken hadden een maximale lengte van 4,5 m. De constructie van eiken balken was een extra steun voor de muren die anders in de drassige ondergrond zouden verzakken. Het dendro-chronologisch onderzoek van een tweetal balken, uitgevoerd door de v.z.w. Ring van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (NL), bepaalde als waarschijnlijke veldatum het jaar 1188 AD. Fig. 11: Foto van de houten funderingsbalken van de tweede ommuring

Meer naar het zuidwesten van de stad werden verschillende steenconstructies doorbroken. Een halfronde muurfragment bleek een stuk van de buitenmantel van een toren te zijn. Op de kaart van Van Deventer is hij te situeren op de zuidwestelijke hoek van de ommuring. Deze hoektoren zorgde voor een optimale bescherming van de stadsmuur in zuidelijke en noordelijke richting. Waarschijnlijk was het een halfronde, holle toren die in de muur was ingewerkt.

De waterpoort

Op de linkeroever van de Kleine Gete braken de graafmachines door het front van een grote constructie in natuursteen. Deze tot dan onbekende constructie bleek het linkerbastion te zijn van de waterpoort van de tweede ommuring die de intocht van de Kleine Gete in de stad bewaakte. Naar aanleiding van de aanleg van een nieuw sluizencomplex in de direkte omgeving van de waterpoort hebben we er op aangedrongen dat er, naar aanleiding van deze werken en voorafgaandelijk aan de aanleg van een nieuwe voetgangersbrug, een onderzoek zou worden uitgevoerd naar de restanten die nog in de grond verborgen konden zijn. Hiervoor werden ook extra kredieten vrijgemaakt.

De grondwerken bevestigden dat vermoeden. In enkele dagen tijd werd met een kraan een monumentale constructie vrij gemaakt, bestaande uit twee rechthoekige bastions met vooraan een driekwart ronde toren (fig. 12). Van deze bastions waren de plint en een stuk van de bovenbouw bewaard gebleven. Het rechterbastion was grotendeels intact, maar kon langs de rechterzijkant en de achterzijde niet volledig uitgegraven worden omdat het op privé-eigendom was gelegen. Het linkerbastion stond volledig vrij maar was vooral aan de voorzijde beschadigd. Langs beide bastions werd een gedeelte van de aansluitende stadsmuur gedeeltelijk vrijgelegd. Het geheel kan aldus geïnterpreteerd worden als de restanten van de monumentale waterpoort van de tweede omwalling rond de stad Zoutleeuw.

Fig. 13: De reconstructie van de waterpoort in betonBeide bastions vertoonden een plint van onregelmatige, grote en kleine natuurstenen met hier en daar een ingevoegde baksteen. De onderste rijen daarentegen waren platte stenen die vermoedelijk als funderingsplaten dienst deden. Van de bovenbouw waren maximaal acht rijen bewaard gebleven waarvan de min of meer vierkante stenen zeer regelmatig met kalkmortel gemetst waren. De driekwartvormige torens waren gebouwd met piramidaal gekapte paramentstenen die met de punt naar het midden waren ingemetst. De ronding van het linkerbastion was slechts over een korte afstand bewaard omdat de frontzijde door de graafmachines van de collectorwerken was vernield. De 2,66 m brede achterzijde van de bastions was goed bewaard tot een maximale hoogte van 1,5 m. De afstand tussen de binnenmuren van de twee bastions bedroeg slechts 4 m. De rechte muur langs de Kleine Gete mat 8,3 m en was aan beide zijden enkel tot op plinthoogte (0,6 m) bewaard. Op 5,15 m van de achterzijde was aan beide zijden een 0,3 m brede gleuf uitgespaard waarin een houten balk lag die de volledige breedte van de bedding overbrugde. Op 6 m van de achterzijde bevond zich aan beide zijden van de doorgang een tweede, 0,1 m smalle uitsparing. Beide paren van uitsparingen hebben waarschijnlijk gediend om de doorgang af te sluiten, enerzijds met een ijzeren hekken, anderzijds met houten schotten, waarmee de waterdoorvoer in de stad kon geregeld worden. Op de vertakking naar de Vloedgracht was ook een sluis gebouwd waarvan we nog resten van de laatste uitvoering hebben teruggevonden. Opmerkelijk is dat die plaats in de volksmond nog altijd De drie sluizen wordt genoemd, wat een doorslaggevend element is om de waterpoort als sluizencomplex te determineren.

Fig. 14: Foto van de herbouwde waterpoortWat nog restte van de bastions was te onstabiel en te beperkt voor de constructie van de nieuwe brug. De bouwheren beslisten tot afbraak maar tevens werd de optie onderzocht om op dezelfde plaats een model op schaal 1/1 te bouwen van de oorspronkelijke waterpoort. Bij de afbraak werden de paramentstenen gerecupereerd om ze te herbruiken in de nieuwe constructie. Met de financiële steun van Aquafin, de waterdienst van de Vlaamse Gemeenschap, is de waterpoort herbouwd in beton met dezelfde volumes als oorpronkelijke constructie. We kunnen spreken van een ‘reminiscentie’ in beton, met herbruik van de gerecupereerde paramentstenen (fig. 13). De constructie van het voetgangersbrugje in ijzer is bedoeld als herinnering aan het oorspronkelijke valhekken (fig. 14).

Besluit

De omstandigheden voor een gedegen archeologische onderzoek waren in Zoutleeuw niet voorhanden. In feite dienden we ons grotendeels te beperken tot het vastleggen op foto van de vrijgekomen structuren, het maken van schetsen om de concrete vondstsituatie te beschrijven en het inzamelen van het materiaal om een zo volledig mogelijk beeld van het verleden te verwerven. De voornaamste reden daarvoor was de gebrekkige integratie van de archeologie in de planologie waardoor ontwerpers en aannemers zich onvoldoende bewust zijn van de mogelijke aanwezigheid van een rijk archeologisch patrimonium in de ondergrond. We hebben in elk stadium van ons onderzoek echter heel wat goede wil mogen ondervinden, zowel van de beleidsverantwoordelijken, de werfverantwoordelijken als van de gemiddelde Leeuwenaar, waarvoor onze oprechte dank.

Het archeologisch onderzoek te Zoutleeuw werd afgesloten met een succesrijke tentoonstelling van de vondsten en de onderzoeksresultaten die in het historische stadhuis werd opgesteld en toegankelijk was van 3 augustus tot 27 oktober 1996. dit was grotendeels de verdienste van Lieve Opsteyn (Opsteyn 1996). De vondsten werden nadien door de K.U. Leuven overgedragen aan de Stad Zoutleeuw. Sindsdien werden de voorwerpen opgenomen in de permanente tentoonstellingsruimte in het stadhuis. Op deze wijze hopen we een ruimere bekendheid te geven aan het gevarieerde archeologische patrimonium van onze historische steden in het algemeen en van het ondergewaardeerde Zoutleeuw in het bijzonder.

Bibliografie

Opsteyn L., Grote vondsten uit de Kleine Gete, De Brabantse Folklore en Geschiedenis, 289, 1996, 126 pp.

Opsteyn L., M. Lodewijckx, F. Kumps, L. Wouters, Stadskernonderzoek te Zoutleeuw (Vl.-Brab.), Archaeologia Mediaevalis, 19, 1996, p. 60-61.

Opsteyn L., M. Lodewijckx, F. Kumps, L. Wouters, Grote vondsten uit de Kleine Gete, Stadskernonderzoek te Zoutleeuw (Vl.-Brab.), Archaeologia Mediaevalis, 20, 1997, p. 83-84.

 
K.U.Leuven - Claim Copyright Katholieke Universiteit Leuven | reacties op de inhoud: Marc Lodewijckx
Realisatie: Webteam Letteren | Laatste wijziging: 21 december 2004
URL: http://www.arts.kuleuven.be/wea/